Maan

Ik ga naar het toilet. Hij opent nog geen seconde later de deur en komt naar binnen. Hij zegt iets wat ik niet versta en reikt daarna in de opening naast de wasmachine. Ik  vraag wat hij gaat doen.

Ik ga even een kruk pakken.

Waarom?

Ik ga even de maan pakken, oké?

Daarna loopt hij ermee weg en ben ik alleen. Als ik klaar ben, staat hij midden in de keuken met zijn rechterhand omhoog. Hij kijkt alsof ik hem betrapt heb. Alsof hij zich schaamt.

De zetpil

Bij het ontbijt begint hij ineens te huilen. Hard, alsof hij pijn heeft. Niet om zijn zin te krijgen. Wat is er? Hij steekt zijn tong uit, waar ik witte puntjes op zie. Hij wijst ernaar, tussen zijn kreten door.

Papa, die heeft pijn

Ik probeer van alles en overweeg tenslotte een zetpil te geven, maar dat krijgt hij in de gaten. Dat wil hij niet. Ik probeer hem af te leiden met een banaan, een glas water iets.

‘Doe maar in Woody kont, oké? Heel even. Dat vindt hij zo leuk. Dadelijk komt poep op jou. Poep op jou.’

Woody is onze kat, die vlakbij op de vensterbank ligt te slapen.

‘Doe maar even openmaken.’

Heel denk ik dat hij mijn argumenten heeft begrepen. Hij heeft pijn, maar na een zetpil zal hij minder pijn hebben, echt waar.

‘Ga maar even in Woody kontje doen. Maar Woody is niet zo lief.’

Hij pakt de pil in de verpakking van tafel en reikt hem aan mij.

‘Alsjeblieft papa, die mag je in jouw kontje doen.’

Ik begin te lachen, waarop hij weer huilt.

‘Maar ik wil speentje. Ik wil naar huis. Is dit de kinderopvang? Is dit de opvang, papa?