Sander Kollaard – Uit het leven van een hond

Sander Kollaard, Uit het leven van een hond

Deze prijswinnende, knap geschreven en vooral compacte roman is een triomf van de verbeelding. Kollaard is een terechte held. En al voel ik hier en daar wel een rilling van ongemak, over het geheel kan ik maar een ding zeggen: deze roman is precies wat de tijd vraagt, of wat de dokter voorschrijft. Maar waarom dan?

Met de grote oordelen uit de weg is het tijd voor iets meer details. En laten we met de sympathieke details beginnen: verklaard goddeloze poëzie van Pessoa, een voortdurend terugkerend citaat uit Nietzsche, de charme en energie van een nieuwe liefde. Het hele verhaal is natuurlijk de natte droom van een witte man.

Maar een heel slimme man, dat moet gezegd. Een man met een goede opleiding, iemand die van lezen houdt, en dan ook nog van de beste literatuur. Hij heeft een hondje dat aan het eind van zijn natuurlijke leven begint te komen. Hij drinkt lekker veel wijn en praat met zijn nichtje die hem nog begrijpt ook, als is ze maar zeventien. Iedereen houdt van hem, deze grote, aantrekkelijke man met een buikje.

Maar dan de meestergreep van Kollaard: hij is een verpleger op de IC. Alles wat je zou kunnen tegenstaan als narcistisch geneuzel van een snobistische man, tot en met het ras van zijn hondje, staat tegenover zijn dienstbare beroep. En ja, dat redt niet alleen maar het personage, het levert hem vast ook de Libris Literatuurprijs op, nu we ons allemaal extra schuldig voelen tegenover alle werkers in de zorg.

Deconstructie van Kollaard

Een tikje vals misschien, en natuurlijk ook ingegeven door een zekere mate van jaloezie, eerlijk is eerlijk. Want dit boek, met alle elementen die ik net even noemde is niet langer dan 156 bladzijden. Krap 50,000 woorden is dus genoeg, als je jouw held maar scherp en economisch neerzet, in voldoende interessante omstandigheden en met genoeg intelligente gedachten die alles samenbinden en van betekenis voorzien. Knap hoor. Echt.

Maar het meest intrigerende voor mij is niet die natte droom of het vertelplezier op een paar bladzijden, het is die wonderlijke combinatie van levenspessimisme en -optimisme van Kollaard. Ik bedoel: de meeste literaire romans die ik lees bevinden zich toch vaak in het pessimistische kamp, ik weet niet waarom. Alsof ze te bang zijn om vrolijk te zijn, omdat ze daarmee aan geloofwaardigheid zouden inboeten. Het sadistisch universum en zo. De big crunch die eraan komt. De anderen zijn hel en God hebben we gedood. Dat soort grappen.

Kollaard kent die gedachten allemaal heus wel, hij blijft Nietzsche maar citeren, dat is vast geen toeval. Maar tegelijk, bij alle ernst en dreiging van de dood, weet hij vooral ook te genieten van het leven. Dat maakt dit boekje een genot om te lezen. Net zwaar en net licht genoeg, net kort en net lang genoeg.

Misschien wel het beste boek op de hoge lijn.