Perry Ubeda – van kampioen tot coach

Perry Ubeda

Toen ik in 2016 voor het eerst binnenstapte bij het Weerbaarheidscentrum van Perry Ubeda, wist ik meteen dat ik de juiste deur had opengetrokken. Diploma’s aan de muur, affiches van vechtsportgala’s, foto’s, bekers en kampioensgordels: overal stond zijn naam op, of zijn stoere bokskop, zijn vuisten. Dat de man niet langer of breder dan ik leek te zijn, viel me heel even tegen. Ik had een reus verwacht, maar hij bleek ook maar een mens.

Ook had ik een zwijgzame vechtjas verwacht, iemand die zijn tegenstander argwanend bestudeert voordat hij hem doelbewust tot de grond toe sloopt, maar hij sprak juist snel en gemakkelijk. Hij was veel meer dan een oude vechtjas, dat voelde ik met de eerste minuut al.

Ook de redactie van De Wester had dit natuurlijk allang begrepen, maar wat hij tegenwoordig precies deed, kon niemand me vertellen. Op Internet vond ik een kort interview over de opening van zijn weerbaarheidscentrum. Wikipedia blijkt alleen geïnteresseerd in de grote verhalen over Perry ‘Dynamite’ Ubeda: zijn wedstrijden over de hele wereld. Zelfs zijn eigen site biedt niet meer informatie dan op een enkele bladzijde past.

‘Ik heb veel liever dat mensen mij bellen,’ zegt Perry Ubeda daarover. Ook al is hij sinds zijn twintigste al ZZP-er, toch beschikt hij niet eens over een eigen computer. Zijn facturen schrijft hij met de hand. Als opdrachtgevers vragen om een rapportage, dan zegt hij vriendelijk maar beslist nee: ‘Mijn cliënten hebben meestal genoeg van die wereld van psychologen en psychiaters, waar alles terecht komt in een dossier. Ik schrijf geen rapporten. Ik lees geen rapporten. Mensen die bij mij komen kunnen gewoon lekker aan het werk.’

Hij is er principieel in. ‘Ik wil niet aan een derde vertellen wat ik met mijn cliënt bespreek. Dat spreek ik altijd af: wat wij hier meemaken blijft tussen jou en mij. Als ik een rapportage moet schrijven, dan ben ik uit mijn kracht. Ik wil dat gewoon niet.’

Ik hoor het hem vaker gebruiken, die zin. Hij wil in zijn kracht blijven, daar is hij groot mee geworden, als kickbokser. Dat wil hij ook voor zijn cliënten: ‘Van nature is ieder mens ongelofelijk sterk. Een oerkracht die ieder mens heeft, maar die we soms kwijtraken door omstandigheden.’ Perry helpt mensen om die kracht weer te ontdekken, om die desnoods ‘uit hun tenen’ te halen. Het tegenovergestelde komt ook voor: ‘Soms moet die kracht juist getemperd worden. Wanneer moet je kracht inzetten, wanneer niet.’

Zijn vechtsport is een perfect middel om hiermee te spelen, juist omdat hij zich precies kan afstemmen op de behoeften van de ander. Hij werkt altijd één-op-één. Soms zet hij een cliënt onder druk om hem te triggeren, ‘niet eens door harder te slaan, soms alleen maar door een beetje met mijn kop te trekken’, dan gaat iemand daar fysiek in mee. Dat is precies het moment waarop Perry de oefening stilzet: ‘Voelde je wat daar gebeurde? Wat dacht je toen?’ Door woede op een gecontroleerde manier te ervaren, leer je er beter mee om te gaan. Als je de eerste signalen van boosheid leert herkennen, dan neemt je keuzevrijheid toe. Dan leer je spannende situaties te vermijden of het anders aan te pakken.

Voor andere cliënten hult hij zich helemaal in beschermende kleding: hoofd-, borst-, been- en kruisbescherming, ‘niet dat ik het nodig heb, ze kunnen me toch niet raken, maar dan voelen ze zich vrij om eindelijk eens helemaal los te gaan op een kerel.’ Dan zijn de rollen omgedraaid. Dan kan een vrouw die ooit mishandeld was, of erger, eindelijk van zich afslaan. Een oefening die genezend kan werken.

Voor anderen beperkt Perry zich tot het verbeteren van de houding of tot overgooien met een bal en andere spelvormen: psychomotorische training. Bij weer anderen oefent hij met afstand en nabijheid, door in hun comfortzone te stappen, net zo lang totdat de ander eraan went. Of hij laat iemand vrij op een bokszak slaan om zijn kracht te testen. Als hij daarna een paar aanwijzingen geeft, dan komt de zak ineens veel meer in beweging: dat is wat er gebeurt als Perry je traint. Je wordt sterker. 

Als ik hem vraag waar hij zijn wijsheid en technieken vandaan heeft gehaald, dan haalt hij zijn schouders op. ‘Niet uit de boeken,’ lacht hij. Hij heeft niet eens een middelbareschooldiploma. Wel heeft hij levenservaring, al is het maar doordat hij de hele wereld heeft gezien dankzij zijn topsport. Hij heeft mensen leren lezen, hun lichaamstaal. Hij heeft zijn eigen lichaam en emoties leren beheersen als geen ander. Als ik wijs naar de diploma’s aan de muur, dan knikt hij bevestigend: natuurlijk heeft hij ook een vierjarige opleiding gevolgd bij de NIVM, het Nederlands Instituut voor Vechtsport en Maatschappij. Daar heeft hij zijn ervaringen ook therapeutisch leren inzetten, maar altijd op zijn eigen voorwaarden.

Hij kent de uitdagingen waar een hulpverlener voor staat, maar hij blijft een man van de straat, opgegroeid in de Wolfskuil, die altijd in zijn hart zal blijven, al woont hij nu in het Waterkwartier. Een man met een neus die meer dan tien keer is gebroken. Met tatoeages. Met een korte aanvaring met justitie in zijn jeugd, dankzij een al te ijverige burgemeester. Het zorgt ervoor dat zijn cliënten zich veilig voelen bij hem: hij staat op gelijke hoogte. De instellingen die cliënten naar hem doorverwijzen rekenen daar op. Ze zijn bereid hem daarvoor goed te betalen.

Hoe de toekomst eruitziet, dat weet hij niet. De topsport heeft zijn lichaam getekend. Zijn neus valt misschien het meeste op, als je goed kijkt, maar ook zijn beide heupen zijn versleten. Een jaar geleden heeft hij een nieuwe linkerheup gekregen, zijn andere stelt hij zo lang mogelijk uit. Toch blijft hij fit, fitter dan de meeste van zijn oude concurrenten. Hij traint alle oefeningen mee met zijn cliënten, wil echt niet aan de kant staan kijken. Toen hem dus gevraagd werd om terug te keren, voor één keer, in de ring, toen zei hij meteen ja. Op 17 december 2016 stroomt de Massinkhal vol met fans. Ik ben erbij.