Minder dan twee weken geleden ben ik begonnen met dit Publiek Dagboek. Tijd voor een soort van evaluatie, al had ik geen concrete doelen om te behalen. Ik wilde alleen maar even uit de dwangbuis, de grafzerk van mijn papieren dagboek breken. Dat mooie maar nutteloze origami tussen de kaften. Had ik Dave Eggers al genoemd, hier? Privacy is theft. Secrets are lies. En meer van die grappen in De Cirkel. Een treffende beschrijving van de moderne klantenservicepraktijk. Maar ook de richting waar we ons met z’n allen heen lijken te bewegen: steeds meer overtuigd van de macht die technologie heeft om het leven beter te maken. Tot het levens beëindigt natuurlijk.

Als Eggers de technologische utopie vertegenwoordigt, dan is wat ik lang geleden nog mijn geestelijk dagboek noemde toch echt zijn antipode. Antitechnologisch. Neo-luddite zelfs. Het dagboek begon ik in 1991, het jaar waarin internet eindelijk beschikbaar kwam. Nutteloos feitje. Geen gewoon dagboek, maar een geestelijk, geïnspireerd door het voorbeeld van een jonge Belgische priester Edward Poppe. Ik was op weg om priester te worden; het zou me helpen om nu en dan wat gedachten op te schrijven. Vooruitgang maken op de geestelijke weg. We weten hoe dit is afgelopen. Papier kon me niet redden of behoeden. Iets moet ik fout hebben gedaan, hoe ijverig ik ook maar schreef en nog steeds blijf doorschrijven. Heel vreemd, eigenlijk.

Ik beweeg me op de glijdende schaal tussen Eggers en Poppe, dat bedoel ik. Geen robot, geen middeleeuwer. Dat lijkt me gezond. Maar wat levert het op? Deze stukjes kosten veel meer tijd dan een dagboeknotitie, juist omdat je altijd publiceert met je publiek in gedachte. Ik blijf maar schaven en schrappen. Al meer dan 13 uur heb ik er nu aan besteed, voor 13 stukjes. Tel maar uit. Dit gaat ten koste van mijn nachtrust. Maar ook levert het bezoekers op: vandaag passeerde ik de duizend weergaven op mijn site. Niet slecht.

Het werkt verslavend om die resultaten te volgen, om effecten meteen al te zien door likes of shares, aan de onmiskenbare aantallen waar warme vingers achter schuilen. Het Publiek Dagboek gaat een eigen leven leiden als ik het wegstuur en naar bed ga. Zo hoort het ook. Schrijven doe je niet voor jezelf. Daar zou een ander woord voor verzonnen moeten worden. Logboeken. Schriften. Concepten. Halfaffen. Maar of ik de kracht heb om ermee door te gaan zoals ik dat nu doe, dat vraag ik me ernstig af. Het voelt als een dagtaak.