Meer dan vijf jaar getrouwd, twee kinderen, hypotheek: ik dacht dat ik er wel vanaf was intussen. Van mijn leven in de kerk. Maar dan beginnen de dagen weer te korten. De kou kruipt uit de grond en in de wijk veranderen de voorruiten, er is geen ontsnappen aan. Maak maar eens een wijkwandeling in deze dagen.

Eigenlijk veranderen vooral de vensterbanken van onze huizen. Door het jaar heen staan daar groene planten, soms een Boeddhabeeld of een kleurrijk stuk glas-in-lood. Beschaafde en sociale keuzes. Zelfs die ene ruit met beeldjes van een alien-rockband mag er zijn, al is het lastig uitleggen aan mijn oudste. Wat doen zijn daar? Zingen, jongen. Waarom zien ze er zo gek uit? Het zijn buitenaardse wezens. Waarom zijn ze van zilver?

Maar nu staan er ineens kerstbomen met ballen op de vensterbanken. Merry Christmas, leesbaar van de stoep en dus een boodschap naar buiten. Voor mij. Net zoals die kerststal met de gesloten achterkant naar de woonkamer of een rendier dat me lachend aankijkt. Ja, met een rode neus. Ho ho ho, ben jij ook zo vrolijk?

Oh ja, natuurlijk. Dit is tenslotte de vrolijkste tijd van het jaar. Maar het was ook de tijd dat ik eenzaam achter een altaar stond, met mijn ogen op een kruisbeeld. Op elke altaartafel staat er zo-een, nog steeds als het goed is. De vraag was: draai je de Heer naar de gemeenschap toe, of naar de priester die de mis opdraagt? Blik naar buiten of naar binnen? Toen kwam ik er nooit goed uit, maar inmiddels weet ik het wel.

Die Rudolph met de rode neus is veel grappiger.

Photo by Tim Gouw on Unsplash