De kapel op de stuwwal

Kapel op de Stuwwal

Op een vrije middag willen mijn kinderen naar de kapel. Nou ja, het Distelpark is ook goed. En het bos als we met de auto gaan. De jongste kijkt me vragend aan en doet net alsof hij een stuur vasthoudt, waar hij hard aan trekt. ‘Auto?’ Soms krijgt hij zijn zin, maar meestal is de auto weg en dan is de kapel ferm favoriet.

Als je in de kuul woont…

… dan ken je de kapel die ik op het oog heb vast wel. Onder de rokken van De Witte Molen, tussen de rozenstruiken tegenover het Sfeerhuys. Meestal sjouw ik de jongste de stuwwal op, tot hij het puntdak met de grijze leien ziet. Dan wil hij los en begint hij te rennen met van die kleine pasjes alsof hij steeds op het punt van vallen staat.

Zijn oudere broer is even enthousiast en gaat voorop, over het split naar de open ingang. We komen voor het beeld en de vele foto’s en bidprentjes van dierbaren. En de vragen natuurlijk.

‘Zijn die mensen echt dood?’

Of deze:

‘Waar is Jezus dan?’

En mijn favoriet:

‘Ik weet wel wat er gebeurt als je doodgaat. Dan kom je in superheldenland. En dan verander je zelf in een superheld als je het geheime deurtje ontmoet.’

Uitspraken van de oudste van vijf, dat begrijp je wel.

De jongste kijkt nog met zijn handen en trekt prenten en gedichten van de muur als ik niet oplet. Dan wijst de oudste hem op het kindje Jezus, van wie er een hoofdje in een nis staat. De baby krijgt een aai, naar het voorbeeld van zijn grote broer.

Jezus die een aai kreeg.

Even denk ik aan alle gesloopte kerken in de wijk en in mijn leven. En hoe blij ik ben met deze kapel.