Gerechtigheid voor Jan Siebelink

Siebelink, Maar waar zijn die duiven dan

Ik hou zo van zijn werk. Ook de laatste Maar waar zijn die duiven dan, uit 2020, is weer een heerlijke tegel in het mozaiek van zijn verbeelde binnenwereld. Ik kan er niet omheen. Niet dat hij door iedereen begrepen of gewaardeerd wordt, zeker niet. Sterker nog, ondanks het grote succes van zijn Knielen op een bed violen geloof ik dat Siebelink een miskende auteur is. In dit essay onderzoek ik waarom, en wat we eraan kunnen doen.

De vonk

Laten we beginnen bij het begin: om de schrijver Siebelink (1938) te begrijpen moeten we volgens mij op zoek naar zijn eerste creatieve impuls, naar het verhaal dat hij aan de tafel schreef met zijn moeder naast hem, over zijn vader die weer opgelicht werd. De eerste impuls. Het geweld waarmee hij zijn vader wreekt. Je vindt het in Nachtschade, zijn debuutbundel uit 1975, die inderdaad in de kiem het hele latere werk bevat. Dat oeuvre, want zo mag je het gerust noemen, bestaat uit 19 romans, talloze verhalen, essays en andere werken. Siebelink schrijft al een leven lang, en laatst vertelde hij me dat hij ook nu nog aan een nieuwe roman werkt. Zo krachtig is die vonk.

Grote thema’s

Maar wat is die vonk dan? Waaruit bestaat zijn grote inspiratie? Wie zijn romans kent, zal vast thema’s noemen als het effect van een streng religieuze opvoeding, de bloemkwekerij als symbool voor het verloren paradijs, de gedetailleerde beschrijving van het milieu van een kleine protestantse middenstand en later de omgeving van een middelbare school. En dat klopt ook: met deze grote thema’s zie je tamelijk getrouw de bijdrage van Siebelink aan het Nederlandse literaire landschap. Op zich al de moeite waard, zou ik zeggen. Maar het is nog geen creatieve impuls. Om die terug te vinden moeten we teruggrijpen naar meer dan zijn romans. Zijn werk als vertaler en essayist.

Huysmans is de sleutel

Laat ik me eerst richten op zijn vertaling. Siebelink heeft voor het Nederlandse taalgebied het werk van J.K. Huysmans ontsloten: Tegen de keer. Hier begint het misverstand volgens mij. Al in 1884, bij verschijning, was deze roman controversieel en weinig populair behalve voor een kleine elite.

Niet zo vreemd: de hoofdpersoon is een neurotische kluizenaar die zich overgeeft aan de meest extravagante zinnelijke genoegens als bloemen, juwelen, parfums, boeken, een volledig kunstmatige wereld voor hem en hem alleen. Koppel dat aan een zekere sadistische en zelf-vernietigende impuls onder een religieus sausje, en daar heb je het: de kunst voor de kunst. Decadentie. Alles waar een rechtgeaarde Hollander een hekel aan heeft. En Siebelink verklaart hem zonder blikken of blozen tot zijn inspiratie.

Ook nu nog, op zijn website, beschrijft hij zijn literaire ambitie:

Voor zover ik een bewuste bedoeling had, wilde ik een naadloze verbinding tot stand brengen tussen het Hollandse realisme en de Franse literatuur uit het 19e-eeuwse fin-de-siècle.

Eerlijk is eerlijk, ik weet niet precies of het naïviteit was of doelbewuste positionering, maar het was in ieder geval opvallend genoeg voor een criticus als Jaap Goedegebuure om hem een ‘schaduwloper van Huysmans’ te noemen, of te spreken van een ‘bijna devote navolging’ (Decadentie en literatuur, p. 158). En ook stilistisch zet hij Siebelink op z’n nummer door ‘stijlbloempjes’ te citeren die zijn goedkeuring op z’n zachtst gezegd niet kunnen wegdragen. Dat schreef hij in 1987, en de enige reden waarom ik het hier noem, is omdat het hier misschien wel de basis ligt van de miskenning van het talent en oeuvre van Siebelink.

Als dat zo is, zou het eeuwig zonde zijn.

Tijden zijn veranderd

Kijk maar naar zijn essays: na zijn debuut zou Siebelink wielerverhalen publiceren waarin hij niet zozeer de decadentie maar juist de krachtige impuls om door pijn heen te drukken beschreef. Pijn is genot (1992). Ook in zijn latere bundel Conversaties (2011), lees je gesprekken met Franse schrijvers die je toch bezwaarlijk decadent kunt noemen: Milan Kundera, James Purdy, E.M. Cioran. Al ontbreekt deze inspiratie gelukkig niet. En het grappige is wel, dat de inhoud van deze bundel vooral oude teksten betreft uit ’81, ’85 en begin jaren negentig. Of neem een ander document van essayistische opmerkzaamheid: Mijn leven met Tikker (1999), over zijn wandelingen met de hond. Siebelink veranderde en liet Huysmans achter zich.

Knielen

In zijn romans blijkt dat minder duidelijk. Neem bijvoorbeeld het bekroonde Knielen op een bed violen. Dit is het portret van een sierbloemenkweker die langzaam afdaalt in religieuze waanzin, in extremisme die zijn gezinsrelaties tot het laatst onder druk zet. Het religieuze thema dat ook in de decadentie aan bod komt vinden we hier ook terug, maar dit keer niet onthecht van haar diepere betekenis zoals bij Huysmans. Integendeel. In de hoofdpersoon Hans Sievez zien we een gelovige die bereid is om de uiterste consequenties te trekken uit zijn geloof, zelfs als dat tot zou vervreemding leiden.

Maar ondanks deze motieven zien we bij de receptie van deze roman geen spoor van de kritieken van eerder, integendeel. Taal, compositie, spanning en zeggingskracht doen velen verzuchten dat dit de mooiste roman van 2005 was. Volgens het Letterenfonds, nog wel. En zoveel lezers (meer dan zeshonderdduizend verkochte exemplaren) kunnen het niet mis hebben.

Na het succes

Je zou denken dat Siebelink na zoveel succes op zijn lauweren zou rusten en zou gaan genieten van zijn oude dag, maar nee dus. De vonk waar ik eerder al naar verwees laat hem geen rust. En al zou hij met de opbrengsten gerust een decadente tempel als Huysmans beschrijft kunnen inrichten, hij beperkt zich tot een Maserati. Omdat hij het ook voelt, vermoed ik. Dat mensen hem niet helemaal hebben begrepen, ondanks zijn harde werk, ondanks alles. Want er ontbreekt nog iets. Niet dat hij het me ooit zei, begrijp me goed, dit is helemaal mijn mening, maar ontbreekt nog een oeuvreprijs. P.C. Hooft of Prijs der Nederlandse Letteren, dat maakt me niet uit.

Want dat die ontbreekt is onrechtvaardig. Het is misschien niet zo’n groot onrecht als zijn vader was aangedaan in Witte Chrysanten, maar het komt in de buurt.

Maar waar zijn die duiven dan

Je ziet het, of beter: ik lees het ook in zijn laatste publicatie, Maar waar zijn die duiven dan. In dit werk zie je de referenties naar de decadentie veel duidelijker dan in Knielen. Of laten we het zwarte romantiek noemen. Of gothiek, zoals in Engelstalige landen gebruikelijker. Misschien moeten we gewoon naar een ander label.

In deze roman refereert het hoofdpersonage, pleegzoon Hugo Tempelman, expliciet naar Huysmans. Hij heeft ook een obsessie met het bordeel, met overspel en hij flirt met de dood door een handwapen. Sterker nog, het hele verhaal begint met een aanzegging van aanstaande dood, of iets wat erop lijkt. Al deze motieven leiden tot scènes die verraden dat het universum van Siebelink nog steeds geen anekdotisch of realistisch paradigma wil gehoorzamen, maar een alternatieve realiteit verbeeldt.

Lees het als een realistisch verhaal, zoals zijn klapper Knielen zich wel liet lezen, en je mist het hart.

Nogmaals de vonk

En dat brengt me terug op de vonk van het begin. De miskenning van zijn vader, die woede oproept. Niet decadentie of een fijn geciseleerd gedicht in een van geurende bloemen vergeven kas. Boosheid. Of, in de eerste acht woorden van het meest geprezen korte verhaal uit zijn debuut:

Mijn God, ik sla hem op zijn bek

Om zijn vader te verdedigen tegen een wanbetalende akelige klant, daarom pakte hij de pen en ging hij aan het werk, aan tafel bij zijn moeder. Daarom blijft hij volgens mij ook vandaag de dag nog schrijven: minder geïnspireerd door verval dan door wraak. Omdat mensen maar niet zien dat hij meer waardering verdient voor zijn unieke, tegendraadse oeuvre.

Het doet me denken aan de reactie van Joost de Vries op het boekenweekgeschenk dat Siebelink in 2020 schreef, Jas van belofte: ‘Je moet openstaan voor de romantiek bij Siebelink. Als je dat kunt, en dat kan ik, is Jas van belofte een van de mooiste Boekenweekgeschenken in jaren.’

Laatste punt

Siebelink heeft meer lezers nodig die de romantische traditie werkelijk van binnenuit kennen en waarderen, zodat ze begrijpen wat hij boek na boek, trouw aan zichzelf en zijn eigen verkozen genre blijft doen. Dan gaan ze het vanzelf waarderen. Dat klinkt vreemd voor iemand die al zoveel lezers heeft weten te bereiken in zijn leven, ik weet het. En toch, durf ik te zeggen, verdient hij meer begrip voor zijn bijdrage aan onze rijke vaderlandse literatuur. Zo heb ik het gevoel dat we Marieke Lucas Rijneveld niet goed kunnen begrijpen zonder Siebelink. Maar dat is iets voor een ander essay.

Siebelink verdient een oeuvreprijs voor het te laat is.