Hondenmens

Kooiker, by Marieke Koenders

Ik ben geen hondenmens, eerlijk is eerlijk. Mijn vader, het begint natuurlijk bij hem, was bang voor ze. Al zou hij dat zelf waarschijnlijk ontkennen. Maar ik weet het wel, ik zag het in zijn ogen, vroeger.

Dat zit zo: als zoon van een schoenmaker moest hij elke zaterdag de gerepareerde exemplaren wegbrengen naar hun klanten. Dat waren boeren in en rond IJsselsteyn, Noord-Limburg, en die hadden allemaal waakhonden rondlopen op het erf. Van die joekels, noemde hij ze, die nooit het woonhuis binnen mochten, maar aan een ketting lagen of in een kennel. En die laatsten waren de ergsten. Sneller dan zijn brommer. 

Dus nee, zo’n vals mormel wilde hij niet in huis. Wij, zijn kinderen hebben er eindeloos om gezeurd, maar het is ons nooit gelukt. Ga maar op jezelf wonen, dan mag je zoveel honden nemen als je wilt. Maar toen we uit huis gingen was elke gedachte aan een hond ook verdwenen. Heel vreemd.

Twee van ons namen wel een kat, en wij namen er ook nog een visje bij, maar daar hield onze dierenliefde wel op. En toch begint er iets in mijn hoofd te veranderen, ik kan het niet ontkennen. Dat komt door de wijk. Ik hoef maar naar buiten te gaan voor een wandeling, of daar zijn ze. Honden met hun baasje. Boven, op de stuwwal bijvoorbeeld, bij het uitlaatveldje. Zoveel liefde voor hun huisdier, ook mijn jongens zien het meteen. Ze willen aaien, zelfs de jongste, al moet ik het wel even voordoen. 

Laatst zag ik er zelfs een Kooiker, zo-eentje die Sander Kollaard beschrijft in zijn heerlijke Uit het leven van een hond. Net zo schrander keek het uit zijn ogen, net zo schattig. En ja, we mochten even aaien, want hij zou niet bijten.